Een sprookje voor deze tijd

05-12-2021

Een sprookje dat heel toepasselijk is voor deze tijd, althans voor de opmerkzame lezer! Het lijkt makkelijker externe vijanden te bevechten, maar wie echt wijs is weet dat men altijd zelf zijn grootste vijand is.

De prins en het verboden stokpaardje.

Er was eens een heel verlegen prinsje. Hij was zo verlegen dat je moeite moest doen om hem op te merken. Hij kroop namelijk liefst dicht tegen zijn moeder, de koningin, en dan zag je nog net een paar krulletjes en één groot angstig oog vanonder haar rokken uitkomen.

Zijn vader, een strenge en grote koning, had daar veel moeite mee. Hij wist nog niet dat ware kracht niet voortkomt uit spierballengerol en dat contact met de eigen kwetsbaarheid geen zwakte maar juist een voorwaarde voor echte kracht is. In zijn optiek moest een koning geen mietje zijn en wenen was voor zwakkelingen, waaronder hij vanzelfsprekend ook vrouwen rekende.

De prins was zo een gevoelige ziel. Hij huilde al wanneer hij een dood vogeltje zag en was helemaal van slag toen hij de tuinman lichthartig een compleet mierennest zag verwoesten. Hij voelde mee met de stervende notenboom in de paleistuin en zijn hart ging uit naar de meid wiens man kreupel werd na een val van zijn paard. Hij gaf stiekem eten aan een oude, schurftige jachthond die soms in het stro van de paardenstal kwam schuilen. Hij kon niet tegen onrecht en droeg het leed van de hele wereld op zijn schouders. Omdat hij niet begrepen werd en zijn vader hem hardhandig opvoedde, in de aanname dat dat hem sterker zou maken, trok hij zich meer en meer terug in zichzelf. Hij sprak weinig en werd steeds angstiger. Niemand kon hem leren omgaan met zijn gevoeligheid, want niemand wist hoe om te gaan met zijn eigen gevoeligheid.

Maar één goeie en opmerkzame ziel in het paleis zou daar verandering in brengen. In de keuken woonde een kleine, sterke vrouw met een gouden hart. Zonder haar zou het leven in het paleis heel wat minder goed zijn, al waren weinigen zich bewust hoever haar invloed reikte. Ze probeerde haar gouden hart dan ook zo goed mogelijk te camoufleren door af en toe met een deegrol te zwaaien of een pracht van een scheldtirade te houden. Haar doelwit was meestal een van de magere staljongens, die lekkers probeerden te stelen uit haar voorraden. Eigenlijk was het meer een spelletje en zorgde ze steeds dat ze mis sloeg. Het hield haar alert en de staljongens snel en vief. Ze legde dan bijvoorbeeld speciaal een paar appeltaartjes bij het raam en deed of het een ramp was wanneer die verdwenen. Ze kloeg steen en been over de respectloze jeugd maar zorgde altijd dat er overschotjes waren voor hen en soms gaf ze hen een trui of warme sjaal, die niet meer goed genoeg was voor een edele maar opgelapt nog degelijk functioneel. Ze maakte vlierbessensap voor de hoestende tuinman en troostte kamermeisjes met liefdesverdriet. Ze verbond het zere been van het hoofd van de paleiswacht en plukte kruiden voor verzachtende compressen. De staljongens op hun beurt plukten bosjes paardenbloemen en margrietjes voor op de keukentafel of maakten grappige tekeningen met houtskooltjes en hingen die aan de keukenmuur. Van de tuinman kreeg de kokkin een hele mooie houten pollepel, met een handvat vol zelf gekerfde bloemen en tierelantijnen. En van de kapitein van de paleiswacht kreeg ze een prachtige velouren tas met talloze vakjes en buideltjes om kruiden in te steken. Enkele van de zakjes waren al gevuld met komijn uit Egypte, zwarte peper uit Marokko en geelwortel uit Indië. Die had de kapitein speciaal voor haar gekocht tijdens één van de verre diplomatieke reizen van hun koning.

Deze kokkin dus, had de prins en zijn gevoeligheid natuurlijk ook al opgemerkt. Maar anders dan de meeste mensen was zij niet bang dat hij een watje zou worden. Ze wist wat hij nodig had: een soort veruitwendiging of geheugensteuntje van de interne kracht waarvan hij nu nog niet zeker was maar die zeker in hem sluimerde want die zij herkende. En op een morgen zag ze op de vroegmarkt precies wat de prins nodig had: een lichthouten stokpaard met gouden manen en een zwart hoofdstel. Onderaan de stok was een wiel bevestigd dat ronddraaide als je op het paardje reed. Het was perfect, ze wist het zeker! Alleen spijtig dat het zo duur was. De kokkin waagde de gok en kocht het paardje in de plaats van de fazanten en de witloof die ze zou gekocht hebben voor het avondeten. Daarna stuurde ze de staljongens erop uit met een paar zeugen om truffels te zoeken en ze vroeg aan de tuinman om kastanjes bijeen te harken in de tuin en legde vervolgens heel de kachel vol om ze te poffen en er puree van te maken. Ze maakte appelmoes van de appeltjes die in kisten in de voorraadschuur stonden te drogen. Ze was een hele dag in de weer maar gelukkig merkte niemand op dat het avondeten maar wat bij mekaar gesprokkeld was, integendeel!

De volgende dag had ze tijd voor haar toekomstige koning. Ze wist dat de prins dol was op dieren en lokte zijn schurftige hond naar de keuken met een grote lap ham van de hesp die aan de keukenbalk hing. Vervolgens ging ze staan wachten op de prins die even later met een in zijn mouw gesmokkelde boterham naar buiten glipte. Ze opende de keukendeur, glimlachte vriendelijk, wenkte hem naar binnen en wachtte vervolgens geduldig. De prins voelde zich metteen minder angstig: iemand die geduld met hem had, wat deed dat goed, dat was hij niet gewoon! Verlegen schuifelde hij naar binnen en haalde de boterham voor de hond uit zijn mouw. "Ik heb ook iets voor jou!", zei de kokkin blij en ze wees naar het stokpaardje dat achter de deur stond. Het was liefde op het eerste gezicht! De prins was helemaal weg van het paardje. Hij wist niet hoe hij de kokkin moest bedanken, stamelde en bloosde en liet zijn boterham op de grond vallen. Maar dat was allemaal niet erg: de kokkin gaf hem een klinkende zoen op zijn krullen en zette hem met paard en hond en boterham en al buiten.

De prins en zijn stokpaard werden onafscheidelijk: hij nam het overal mee naartoe. 's Nachts zette hij het naast zijn bed en wanneer hij bang was in het donker, praatte hij ermee. Overdag zeulde hij het mee naar alle prinselijke lessen en aan tafel vroeg hij om een extra stoel voor zijn paardje. Hij verlegde zijn grenzen, zijn zelfvertrouwen groeide, hij keek de mensen aan wanneer hij tegen hen sprak en articuleerde duidelijker. Hij kwam op plaatsen waar hij vroeger niet dierf komen, als zijn paard maar meekon, en dierf eindelijk zijn nieuwsgierige aard wat meer te bevredigen. Hij stelde vragen aan zijn leraren die hen soms zelfs deden blozen. De kokkin bekeek het allemaal vanop afstand met vreugdevolle ogen. Ze zag hem helemaal openbloeien.

Maar de koning was er niet mee opgezet. Wat moet een man nu met een houten paard?! Dat de prins nog maar vijf jaar was, maakte niet uit in zijn ogen. Hij was zo angstig voor zijn reputatie dat hij helemaal op het stokpaard gefixeerd raakte. Hij kreeg nachtmerries waarbij hij tijdens zijn jaarlijkse redevoering omver gelopen werd door een stokpaard en waarbij hij oorlogen voerde tegen lang vergeten vijanden die op stokpaarden door de lucht vlogen. Wanneer hij wilde vrijen met zijn gemalin, veranderde ze plots in een stokpaardje nadat hij handig haar blouse had losgeknoopt en soms droomde hij zelfs dat hij zelf in een stokpaard veranderde en stokstijf rechtop onbeweeglijk moest blijven staan terwijl iedereen hem uitlachte en beschimpte. De dromen begonnen hun tol te eisen en de koning kreeg concentratieproblemen. Tijdens het bespreken van staatszaken dwaalden zijn gedachten steeds af en plots schrok hij dan op wanneer hij iemand het woord 'stokpaard' meende te horen zeggen.

Ten einde raad zocht hij de paleisarts op. "Het is heel eenvoudig", sprak die: "U lijdt aan stokpaardfixatie." Bij het horen van het woord stokpaard schoot de koning een halve meter omhoog. "Spreek dat woord niet meer uit", bulderde hij en vervolgens rolde hij zijn mouwen wat op om zijn spierballen beter te laten uitkomen. De paleisdokter gaf de koning 3 valiumpillen tegelijk, hem wijsmakend dat het antifixatietabletten waren. Toen zijnen koninklijke hoogheid lag te snurken, riep hij alle raadsheren bij mekaar voor een spoedvergadering. Nadat de dokter het probleem zo goed mogelijk uit de doeken gedaan had, waren ze het eigenlijk snel, op een storende enkeling na, allemaal met mekaar eens: stokpaardjes vormen een gevaar voor de volksgezondheid en dienen verboden te worden!! Snel werd een nieuwe wet uitgevaardigd, de koning werd wakker gemaakt en drukte half groggy zijn zegel in de was op alle wetsperkamenten en er werden schouten op uitgestuurd om de nieuwe wet te verkondigen. Daarna vertrokken er patrouilles soldaten om overal in het land alle toch nog overgebleven stokpaarden in beslag te nemen en te vernietigen. En wie het waagde een levensgevaarlijk stokpaard te huisvesten, riskeerde zware boetes en celstraffen.

De koning wist nu wat hem te doen stond: hij zou zijn zoon eindelijk eens leren hoe echte mannen hun angsten overwonnen, in de plaats van met poppen te spelen! De prins die zijn woeste vader al van ver voelde aankomen, vluchtte met zijn stokpaard naar de keuken. Hij voelde instinctief aan dat de kokkin de enige was die de koning zou durven trotseren. En dat deed ze dan ook vol overgave: "Schaamt u zich niet?!", vroeg ze de koning onverschrokken. "Een kleine jongen zijn anker afpakken omdat u uw eigen angsten niet onder ogen kan zien!!" Ze werd prompt en zonder pardon in de kerker gegooid. Van de prins was geen spoor meer te bekennen. Hij leek in rook te zijn opgegaan.

De daaropvolgende dagen waren de meest grijze in het kasteel die er ooit geweest waren. De koningin liep jammerend met roodomrande ogen heen en weer tussen de kamer van haar zoon en haar eigen vertrekken, de staljongens en alle bedienden waren teneergeslagen. Er was geen eten want niemand organiseerde de keuken en zelfs de paleiswacht liep verloren rond. De koning voelde hoe iets wat van ver op een schuldgevoel leek gevaar liep door te dringen in zijn bewustzijn en besloot toen dat hij de kokkin moest laten executeren: hij kon het niet toelaten dat iemand vraagtekens bij zijn beleid plaatste, waar zou dat eindigen moest hij dat wel doen?!!! Hij moest duidelijk en onverschrokken zijn, zonder enige vorm van twijfel en rechtlijnig als een echte 'ruler'!

Hij riep de kapitein van de paleiswacht en een soldaat die een toorts droeg bij zich en samen daalden ze af in de kerkers van het kasteel. Wie ondertussen ook niet stil gezeten had was de prins: hij had de schort van de kokkin samen met een brood van de tafel gegritst en was op zoek gegaan naar zijn oude jachthond. Hij had hem aan de schort laten ruiken en vervolgens waren ze, samen met zijn stokpaardje, aan een lange en donkere ondergrondse tocht begonnen. De prins had geen toorts bij maar na bijna 2 dagen in het donker, waren zijn ogen eraan gewend en kon hij duidelijk contouren onderscheiden bij het weinige licht dat zo diep doordrong. Zijn gids leek zelfs goed te kunnen zien en leek geen last te hebben van het duister. Ze hadden geslapen tussen 2 verdiepingen op de keldertrap, dicht tegen mekaar om het warm te hebben, de schort van de kokkin over hen heen getrokken. Ze hadden een beetje van het brood gedeeld en waterdruppels in hun open mond gevangen die van de keldermuur drupten. Het was vochtig daarbeneden! Op een bepaald ogenblik waren ze een ingestorte muur tegengekomen en konden ze niet verder, waardoor ze een hele trap terug op moesten klimmen en een grote omweg moesten maken om uiteindelijk verder te kunnen afdalen. Daardoor waren ze veel tijd verloren. Maar nu waren ze vlakbij, de hond begon sneller te lopen. De prins op zijn paardje draafde erachter aan. Hij riep de kokkin en hoorde haar zwak antwoorden! In een vochtige cel van enkele vierkante meters, met mos op de wanden en verlicht door één enkele straal die door een gat in het metershoge plafond sijpelde, voorzien van zware tralies, zat de kokkin aan haar voeten geketend, haar handen gebonden en een knevel voor haar mond tegen de muur geleund. Er stond een emmer naast haar. Dat was alles. Ze kreunde. De prins zijn hart brak maar hij vermande zich. Hij stak zijn stokpaardje achterstevoren door de tralies, de kop kon er niet doorheen maar het wieltje wel, en liet de kokkin haar handen lossnijden aan het wieltje. Dat duurde een tijdje maar daarna had ze snel haar knevel uit en kon ze wat waterdruppels van de muur likken. Ze plukte wat mos en wrong het uit in haar mond. Toen nam ze dankbaar het brood aan dat de prins haar toewierp. Na enkele minuten kauwen voelde ze zich iets beter. "Mijn dappere, lieve prins!", glimlachte ze naar hem. De prins zag haar witte tanden in het donker oplichten. "Het spijt me zo.", bracht hij uit. Toen hoorden ze voetstappen. "Vlucht!", siste de kokkin, maar daar wilde de prins niets van weten. Hij had haar eindelijk gevonden en zou haar nu niet meer alleen laten. Hij spreidde zijn armen zo breed mogelijk uit en ging met zijn rug voor de tralies staan. Zijn gids vluchtte zachtjes jankend een donkere gang in.

De volgende minuten was de prins verblind door het licht van de toorts van de koning. Stomverbaasd en ook een beetje opgelucht, maar dat laatste zou hij nooit toegeven, staarde de koning naar de kleine gestalte die hen de weg versperde. "Ga uit de weg!", brulde hij tenslotte: "Wij zijn hier om de kokkin te executeren wegens ernstige subordinatie van het koninklijke gezag! Kapitein ...!" "Dat kan hij niet!", riep de prins op zijn beurt naar zijn vader. "En waarom dan wel niet?", vroeg de koning ongelovig aan dat dappere kleine mannetje dat het waagde zijn gezag te trotseren. Je ziet nu wel, als er één begint, dan is het hek snel van de dam! Ze moesten hier stante pede een einde aan maken! De kapitein van de wacht die lijkbleek zag in het licht van de toorts en wiens voorhoofd vol kleine zweetdruppeltjes stond, ondanks de kilte van de kelder, knielde neer voor zijn koning. "Hij heeft gelijk sire, ik kan het niet." Hij legde zijn zwaard aan de voeten van zijn vorst en haalde zijn militaire eretekens van zijn uniform. "Ik kan niet langer dienen als kapitein van uw wacht." "Verraad! De doodstraf! En waarom dan niet, potverdorie?", brulde de koning zo hard dat de muizen uit hun holen vluchtten en er steengruis van de muren viel. "Omdat ik van haar hou, sire." Volledig uit zijn lood geslagen staarde de koning minutenlang naar zijn zoon, vervolgens naar het trouwe hoofd van zijn lijfwacht en tot slot naar de kokkin. Plots draaide hij zich op zijn hakken om en vluchtte met de toortsdrager terug naar de bewoonde wereld.

De kapitein zocht met knikkende knieën en bevende handen in zijn zakken naar de sleutel van de kerker. "Het spijt me zo.", zei hij tegen de kokkin. "Ik had eerder naar je toe willen komen maar ik kon niet weg. Ik wist niet dat je zo slecht behandeld werd." "Is het waar?", vroeg de kokkin alleen maar stilletjes. "Wat waar?" "Dat je van me houdt?" "Ach lieverd ... ", zei de kapitein terwijl hij eindelijk het slot verwijderde en de kokkin in zijn armen sloot.

De volgende dag zaten ze samen in de keuken: de hond, de prins, de kokkin en de kapitein met zijn arm rond de kokkin haar schouders geslagen. Het stokpaardje stond in de hoek naast de keukendeur. De kokkin zag er nog gehavend uit, maar ze waren allen proper gewassen en gekleed. Er kwam een bediende met 3 boodschappen binnen. De kapitein werd verzocht zijn functie terug op te nemen en kreeg een bijkomende onderscheiding voor bewezen moed in uitzonderlijke omstandigheden om op zijn uniform te spelden. De kokkin kreeg een nieuwe schort en een vergroot budget voor de keuken. En de prins werd verzocht in de raadszaal bij zijn vader. Toen de prins vertrokken was, wees de kapitein naar het stokpaardje dat braaf naast de keukendeur stond. Maar de wijze kokkin wist allang dat de prins zijn stokpaardje niet meer nodig had.

In de raadzaal zaten alle raadsleden keurig aan een grote tafel, de koning zat aan het hoofd en naast hem was nog een stoel vrij. Hij wenkte zijn zoon en toen die naast hem zat, vroeg hij hem zachtjes: "Hoe wist je dat nu?" "Je moet kijken met de ogen van het hart, papa.", vertrouwde de prins hem toe. "Leer het mij.", zei de koning en toen verklaarde hij de vergadering voor geopend. De prins keek zijn ogen uit zijn hoofd. Hij zei niets maar zette al zijn gevoelige antennes uit en observeerde met al zijn voelsprieten wat er in de raadzaal gebeurde. Hij begreep bijlange niet alles wat er gezegd werd, maar na afloop, toen ze alleen waren, legde de koning hem geduldig alles uit wat hij wilde weten en op zijn beurt vroeg de koning zijn zoon grondig uit over wat hij had opgemerkt. Doordat zijn vader hem zo ernstig nam, groeide het zelfvertrouwen van de prins gestaag. De koning op zijn beurt, ontspande zich: als er iets mis was zou zijn zoon het wel van ver voelen aankomen. Hij probeerde soms zelf ook wat meer met zijn hart te kijken, al voelde dat nog steeds erg onwennig aan.

De prins werd een sterke jongeman, met evenveel spieren als zijn vader, al showde hij er niet zo mee. Hij werd een fantastische koning, met een groot hart voor al het leven in zijn grote rijk. En wanneer ook maar één van zijn onderdanen slecht behandeld werd, weende hij bittere tranen. Maar niemand nam daar aanstoot aan omdat zij in hun koning heel duidelijk zagen dat kwetsbaarheid en kracht hand in hand kunnen gaan.